Hoofdstuk 3: de Zonen van de wind

Hoofdstuk 3: de Zonen van de wind

De volgende ochtend vertrekt een deel van de groep op expeditie richting het pad dat via de sterren van Nikos' jeugd tot hem is gekomen. Ducos wil zeker weten dat het pad ze dichterbij Eleron brengt. Het is nog vroeg en de dauw druppelt van de anders droge woestijnvegetatie. Een roofvogel draait cirkels in de hete lucht.

"Mooi gedanst Nikos."

"Bedankt, maar laten we nog voor de zon opkomt vertrekken, dan kan ik de sterren zo lang mogelijk zien."

"Jouw wens is mijn gebod, Nikos."

Ducos gebaart naar de ruiters achter hem en roept: "Voorwaarts als de wind naar de sterren!"

"De sterren liegen nooit."

"In tegenstelling tot?"

"Mensen, of de grond wanneer die een fata morgana vertoont."

"De sterren hebben je anders aardig in de steek gelaten!" Lacht Ducos.

"Hier naar rechts afbuigen."

De ruiters drafen door het zachte zand op het pad dat de sterren voor hen verlicht. Nikos voorop, samen met Ducos. De rest van de reis zwijgend en de duisternis tot hen nemend.
Langzaam toont zich de ochtendzon. De morgendauw verdwijnt en maakt plaats voor de droogte. De lucht kleurt rood wanneer Nikos naar de horizon wijst.

"Daar. Ons doel."
Nikos wijst naar de ruïnes van een toren. Hij had de sterren goed begrepen.

Een verlaten dorp wacht stilletjes in de verte terwijl de ruiters naderen.

Eenmaal aangekomen bij de halfbegraven toren lijnen ze hun paarden aan. Ducos verzamelt de groep om zich heen.

"We zijn op zoek naar verborgen voorraden. Verdeel jezelf over het dorp en doorzoek de huizen. We treffen elkaar hier weer na de hoogste zonnestand."

Ducos klinkt vastberaden om de teleurstellingen van de reis tot nu toe te bezweren. Hij en Nikos verkennen samen het dorp.

"Vreemd, dat mensen hier ooit een gelukkig leven hadden." Zegt Nikos terwijl ze enkele huizen passeren.

"Hoe je hier het geluk kan vinden is mij een raadsel!" Lacht Ducos.

"Ooit was het leven hier goed. Maar Poron neemt ook weer wat het geeft."

"Laten we dit huis bekijken, die mensen leken om te komen in de kruidnagels."

Een hoekhuis, half begraven in het ruige zand. Georganiseerd rondom een binnenhof waar alle kamers op uitkijken. Een magnifiek huis met prachtige ornamenten op de balkons en balustrades.
Geen teken van bewoning voor tientallen jaren.

"Kijk hier!" Nikos wijst door een raamopening.

Ducos stamelt wat. "Ik kom er aan." zegt hij, zicht richting het huis draaiende.

"Snel!"

"Iets interessants gevonden?"

"Fruit!" roept Nikos.

De twee staan met hun hoofden in de raamopening gedrukt.
Ducos zag dat het een bijkeuken lijkt te zijn. Tafels en aanrechten gevuld met vers fruit en meer. Broden, dadels en karaffen met rode wijn.

Ducos zet een stap achteruit en krabt zich achter zijn oor.

"Maar hoe. Wie heeft dit achter gelaten?"

Ondertussen klinkt er vanuit verschillende plekken in het dorp gejuich.

"Laten we de rest opzoeken." Stelt Nikos voor.

De mannen verzamelen zich op het centrale plein. Woorden van ongeloof en argwaan vliegen Ducos om de oren.

"Laten we het proviand op een koele plek bewaren. Iemand een crypte gezien?"

"Iets verderop, Ducos." Antwoordt een van de ruiters.

Ducos loopt in de door de ruiter aangewezen richting.
"Ik ga wel even kijken, voor de zekerheid. Eet alvast wat."

Eenmaal aangekomen bij de smalle opening van de crypte schuift Ducos het houten schavot terzijde en verleent zichzelf toegang tot het ondergrondse complex. Het is er stil maar bovenal is het er koel genoeg om het etenswaar te bewaren.

Terwijl Ducos door de duisternis van de crypte waadt, vangt iets zijn oog: een glinster, haast onwerkelijk. Een vaag licht sijpelt uit de kieren van het vod waarin het zwaard van de heer ligt opgeborgen. Hij aarzelt even, dan grijpt hij het. Het zwaard voelt koud aan, maar zendt een blauw schijnsel uit dat zijn handen verlicht.

"Licht! Het zwaard geeft licht!"

Ducos draait het zwaard rond en bekijkt het van alle kanten.
De inscripties gloeien felblauw. Zodanig dat Ducos' ogen moeite hebben zich er op aan te passen.

De duisternis in de crypte groeit en verzwelgt hem. Hij gebruikt het licht van het zwaard om zich een weg vooruit te banen, kijkt nog even achterom in twijfel, maar zet al snel de pas in. Zijn ademhaling een zichtbare nevel tussen het dwarrelende stof. Dieper in de crypte. Alsof iets hem maant verder te gaan.

"Dit is vreemd, heel vreemd."

Ducos treft een muur, rijkelijk versierd met beschilderingen en teksten. Hij laat zijn hand over het koele steen strijken. Figuren worden zichtbaar in het dimme licht. Contouren van een strijd. Een conflict. En dan ziet hij het: een zwaard, identiek aan het zijne.

"Dat lijkt... hetzelfde zwaard." Bedenkt Ducos argwanend.
Zijn blik volgt het verloop van de wandschildering, van links naar rechts zoals dat vaak gaat met een allegorie.

"Links een koning. Alleen in diens burgt. Eromheen zijn volk, bewapend. Rechts een magiër. Zijn zwaard lijkt op het mijne. Om hem heen staan inscripties."

Ducos probeert de oude tekst te ontcijferen.

Hier...
verzegelt...
terreur...

Het zwaard gloeit sterk op, en dooft kort daarna. Alsof het zijn laatste adem uitblaast.

Vanuit de verte klinkt geroep. Waarna daglicht de diepte van de crypte in stroomt. Ducos verstart en rolt het zwaart vlug op in het vod waar het vandaan kwam en haast zich richting de ingang.

"Er nadert een zandstorm, Ducos! We doen er slim aan ons hier te verschuilen. De paarden redden zich wel."

Het stof laait op en dringt zich Ducos' luchwegen. Hij slaat zijn mantel voor zijn gezicht. Nikos nadert hem, met een vragende gezichtsuitdrukking.

"Je zit hier al een tijdje, Ducos. Iets gezien?"

Het schavot aan de ingang wordt door een van de ruiters op zijn plek geheven en verzegelt de groep in relatieve veiligheid.

"Kom, dieper in de crypte. De rest ook."

De ploeg vormt een rij, Ducos voorop terwijl hij zijn reeds gelopen voetporen probeert terug te vinden. Het is donker. Stil in anticipatie op de plek waar Ducos hen leidt.

"We zijn er." Zegt Ducos terwijl een van de mannen een fakkel ontsteekt. De illustere wandschildering toont zich in vol ornaat. Ducos wijst naar de figuur met het zwaard.

"Het zwaard lijkt hetzelfde te zijn als dat ik nu bij me heb. Toen ik hier binnenliep begonnen de inscripties op het lemmet met een fel licht te gloeien." Ducos pauzeert.

"Het lijkt alsof hier het verhaal van een strijd wordt afgebeeld. Kijk. Hier links een eenzame koning."

"De Archon..." fluistert Nikos.

Buiten raast het stof aggresief door, het fluiten van de wind dringt door tot diep in de crypte.

"Wellicht, Nikos. Kijk, hier. Het volk om zijn burgt, bewapend. En dan de figuur helemaal rechts. Die met het zwaard."

De groep bestudeert aandachtig de wandschildering. De strijd tegen de Archon, onder leiding van een onbekend figuur met hetzelfde zwaard als Ducos heeft gekregen van de heer uit Nicae.

"Zou het kunnen..." Zegt Nikos met hoorbare twijfel in zijn stem.
"Kijk hier, de pijlen aan de onderkant."

Nikos wijst naar slangen die in een cirkelvormig patroon door de schildering lijken te stromen.

"Zou het kunnen," zegt Nikos, "dat dit zich herhaalt?"

"Een kring. Macht, opstand, tirannie."

"Kennen wij iets anders?"

"Wij kennen niets anders." Antwoord een van de ruiters.

"De tijd verstrijkt snel," zegt Nikos met lichte haast. "Het klinkt alsof de storm tot een eind komt." Hij wendt zicht tot Ducos.

"Laten we terugkeren naar het kamp, neem zoveel proviand mee als je dragen kan."

"Wanneer zullen ze terugkeren?" Vraagt een van de koopmannen zich af terwijl hij door het kamp kuijert.
"Hou je snavel en wees blij dat we wat vrije tijd hebben." Reageert een schutter wat verveeld terwijl hij de horizon in de gaten houdt. Zijn kruisboog rustend op de geïmproviseerde versperringen dat het kamp omlijst en een zeker gevoel van veiligheid biedt.

Uren verstrijken, de zon heeft haar hoogste stand reeds bereikt. Dan, in de verte een verscheining.

"Ruiters! De onze!"
"Maak ruimte bij de poort!" Roept de kwartiermeester, die al de hele dag niet heeft kunnen brullen.

De ruiters stormen het kamp binnen in vol galop.

"Maak ruimte, we eten vanavond rijkelijk!" Roept Nikos naar een van de handelaren.

"Een handelspost tegengekomen?"

Ducos laat zich van zijn paard glijden, stoft zich af en roept de gehele karavaansploeg om hem heen.

"We kwamen een verlaten dorp tegen. Wat we daar troffen overtrof alle verwachtingen. Druiven, pruimen, brood en water. Alsof het dorp uren voor onze aankomst door de voltallige bevolking aldaar verlaten is. De huizen waren oud en versleten. Deels begraven in het zand van de woestenij."

"Hoe is het mogelijk?" Vraagt een schutter zich af terwijl hij een van de tassen met proviand inspecteert.

"Dat is voor mij nog een raadsel. We hebben een ontdekking gedaan in de crypte van het dorp. Een verhaal, over de ondergang van de Archon. Op een muurschildering aldaar, waar een figuur met hetzelfde zwaard als dat ik heb gekregen van de heer in Nicae op stond. Het leek alsof er iets in de crypte verzegeld lag. De woorden waren vervaagd en haast onleesbaar. Hier... verzegelt... terreur... is het enige wat ik er uit op kon maken."

Ducos aarzelt en grijpt naar het zwaard.

"De inscripties op het lemmet begonnen op te lichten toen in in de crypte kwam. Bij de muurschildering werd het licht feller. Toen laaide er een zandstorm op en begon het licht te doven."

"Wie lust er een peer!" Riep een van de koopmannen terwijl hij de tassen van de paarden licht.

"Veelvraat! Luister naar wat Ducos te vertellen heeft!" Roept de kwartiermeester.

"Ik heb de hele terugreis over nagedacht," voegt Nikos toe.

"Het zwaard, in handen van een man zonder gezicht, scheidt de koning van zijn volk. Bloed vloeit door de droge wadi's van Poron, en onderaan kronkelen pijlen als slangen die zich in hun eigen staart bijten."

"Wat zagen jullie nog meer?" Vraagt een van de handelaars zich verbaasd af.

"Dit was het. Zodra de storm tot bedaren kwam zijn we teruggekeerd naar het kamp." Zegt Nikos terwijl hij zich richting de handelaar wendt.

De zon zakt snel na de hoogste stand, en de vlakte ontvangt haar zachtoranje schemering. Signalerend de opkomst der sterren, het donkerte en de verse dauw die kortdurend leven blaast in het lege Poron.

"Ruiters!" Roept een schutter.
Plots, aan de horizon. Gehuld in het licht van de ondergaande zon. Een groep ruiters dat zich staande houdt bovenop een zandduin. Dan het schrelle geluid van een strijdhoorn.

Dan een tweede signaal van de hoorn.
En een derde.

"Stepperijders!" Roept een schutter vanuit zijn toren.

De ruiters gaan over in gallop en haasten zich in hoog tempo richting het eenzame kamp van de karavaansploeg. Een oostenwind steekt op en blaast stof in de ogen van Nikos.

"In de houding! Naar de schavotten! Munitie!" Roept de kwartiermeester.

De verdediging van het kamp wordt ingezet. Ieder kent zijn taak. De piekeniers werpen een muur van stalen punten op. De kruisboogschutters nemen een positie hogerop, in de torens en aan de schavotten.

De zon daalt snel over de vlakte van Poron. De wind wint aan kracht.

"Ruiters te voet! Verdedig de poort!"

De kwartiermeester heeft het bevel tot kunst verheven. Ducos en Nikos nemen het zwaard ter hand en voegen zich tot de verdediging van de poort.

De strijdhoorn laat haar vierde signaal klinken, waarna een boogschutters te paard een hagel van pijlen op het kamp doet neerdalen.
Het gedonder van de hoeven van de aanvallende ruiters doet de grond trillen. Maar angst maakt plaats voor de strijdlust onder de karavaansploeg. Niemand wenst weder te keren tot het stof van Poron. De onbekende ruiters naderen snel. Een stofwolk achtervolgt hen. Vanaf het zandduin worden vlammende pijlen richting het kamp geschoten. Ze vinden hun doel en treffen de houten schavotten en linen tenten waarna deze zich voegen tot het vuur van diens verzenders.

"Wendt je tot de naderende ruiters! Wacht tot ze dichtbij komen en raak ze met alles wat je in je mars hebt!" Roept Ducos tot de schutters.

De oostwind wakkert het beginnende vuur aan, waarna vonken richting het depot van het kamp worden gestuurd. Er ontwaakt een vlam vanuit de door lampenolie bedekte kisten en tassen. De wind stookt het vuur op tot een inferno.

Terwijl het kamp in vlammen opgaat, werpt Ducos een blik op het zwaard dat wederom een vaag blauwe gloed laat zien.

De pijlen suizen.
Vlammen slaan uit de tenten.
Nikos schreeuwt bevelen, zijn stem verslonden door de wind.

Terwijl de vonken rondvliegen en zich vastbijten aan de huid van de karavaansploeg én diens aanvallers raken de paarden van de stepperijders in paniek, en de aanval verliest haar tempo. Lange pieken houden de ruiters op afstand en zijn boogschutters raken waarlijk hun doel.

De lucht ruikt naar verbrand leer. Stof plakkend aan bezwete gezichten.

Een vijfde signaal van de hoorn galmt over het strijdtoneel, waarop de stepperijders het op het vluchten zetten.

"Laat ze niet ontsnappen! Schiet je laatste schot!" De kwartiermeester brult en wendt zich tot de hoogverscholen schutters.

Een hendel wordt overgehaald. Het strak gespannen koord van de kruisboog geeft haar spanning door aan het scherpe projectiel dat zich een weg door de donkere lucht baant. Het zoekt haar doel en treft er een. Een enkele ruiter gevallen, getroffen in het bovenbeen. De rest zich haastend richting de veiligheid van achter het zandduin.

"Haal hem binnen! Ik wil antwoorden!" Roept Ducos naar zijn ruiters die zich snel te paard heisen.

De gevallen ruiter rolt kreunend door het zand. Stof en bloed vermengen zich op het masker dat het gezicht bedekt. Even lijkt het leven uit het lichaam te glijden. Dan, een stem. Zacht, breekbaar, maar helder genoeg om door het rumoer te snijden.

"Eleron..."

Ducos verstijft. Hij knielt, grijpt het masker vast en rukt het los. Onder het zand en zweet verschijnt het gezicht van een jonge vrouw.

"Wie ben je?" roept hij. "Wat doe je hier, waarom vallen jullie ons aan!" Zijn blik wisselend tussen de ruiter en zijn tot vuurzee verworden kamp.

De vrouw opent moeizaam haar ogen. Haar adem stokt.

"Ik... ben Dawet," fluistert ze. "Priestersdochter... van de Zonen van de Wind. En ik..." Dawet slaat een kreun van pijn en grijpt naar haar been.

"Jullie vallen ons aan!" Valt Ducos in de rede.
"Waarom?"

Dawet probeert haar ademhaling te beheersen.
"Angst... kwaad... keert terug."

"Welk kwaad?" Roept Ducos.

"Ducos, we doen er goed aan haar mee naar het kamp te nemen. Levend is ze meer waard dan wanneer ze tot stof keert." Nikos buigt zich over Dawet en legt zijn hand op haar voorhoofd.

"Je bent veilig." Verzekert Nikos haar.

"Een kamp van as, ja." Ducos kijkt teleurgesteld naar de smeulende tenten. een rode gloed werpend over de donkere vlakte.

"Til haar op je paard, Nikos."
Dawet slaat een kreet van pijn terwijl ze op het paard wordt gehesen. Voordat Ducos het zijne bestijgt, legt hij zijn hand op dat van Dawet.
"Ik wil het hele verhaal van je horen." Vervolgt Ducos.

"Dat... beloof ik."

Terwijl het smeulende restant van het kamp van roodheet naar as-grijs verkleurt, is de karavaansploeg druk in de weer met het temmen van de chaos. Reservetenten worden opgezet ter voorbereiding op de laatste nacht. Het resterende handelswaar en proviand voor de lange tocht voorwaarts wordt veiliggesteld en Dawet krijgt een slaapplek aangewezen onder toeziend oog van de kwartiermeester.

Ducos neemt plaats tegenover Dawet terwijl Nikos haar wonden verzorgt.

"Vertel."

"Waar moet ik beginnen?" Zucht Dawet.

"Bij het begin, wie ben je?"

"Ik ben Dawet. Ik behoor tot een nomadisch volk dat zich Zonen van de Wind noemt."

"Bannelingen." Voegt Nikos toe.

"Ja, verbannen uit het land dat ons ooit heeft toebehoord. Ons thuis, afgenomen. Veroordeeld tot een dwalend leven om de vlakte van Poron."

Nikos lijkt niet onder de indruk van het noodlot der Zonen.

"Jullie boden je zwaard aan de Archon."

"En is ons duur komen te staan," Dawet bijt op haar tanden terwijl Nikos het projectiel in haar been al bestuderend aanraakt. "Plichtsbesef brengt je niet ver wanneer de plicht-eiser ten onder gaat. Dan ben je een verrader van de nieuwe orde."

"Macht en onmacht, we kennen niks anders" Voegt Ducos toe terwijl er sympathie lijkt te ontstaan tussen de twee.

"Wij kennen de onmacht het best, het is de bron van onze wraakzucht."

"En die richt je op ons."

"Ik ben de dochter van een priester. Ik leer de verhalen uit een ver verleden. Opdat we niet vergeten. Onze geschiedenis wordt van vader op dochter doorgegeven. En mijn vader kent ze het best."

"Wat heeft dat ermee te maken." Sneert Nikos enigszins geërgerd.

"Laat haar praten, Nikos."

"Mijn vader vertelde over de val van de Archon, die wij probeerden te verdedigen. We trokken van dorp tot dorp om de opstand de kop in te drukken."

"Je vertelt alsof je er bij was." Zegt Nikos. "Ben je er klaar voor?"
Hij rijkt Dawet een stok verwikkeld in linen aan.
Dawet knikt.
Met een zelfverzekerde ruk verwijdert hij het projectiel uit haar been en verbindt vlug de achtergebleven leegte in haar been.

"Beter?"

"B... Beter..." Kreunt Dawet, terwijl ze naar haar broekzak wijst. Nikos haalt er een kruid uit tevoorschijn.

"Laat me daar op kauwen, dat verdoofd de pijn." Nikos stopt een bundel van het kruid in Dawet's mond, waarna haar lichaam zich al tintelend richting een staat van gevoelloosheid begeeft.

"Het voelt alsof ik erbij was. Mijn vader's verhalen blijven in leven via mij."

Ducos lijkt zijn geduld te verliezen en nadert Dawet.
"Dus waarom hebben jullie ons aangevallen?"

"Ben jij in bezit van een bijzonder soort zwaard, toevallig?"

"Ik heb een zwaard, ja."

"Mijn vader herkende de invloed van het zwaard. De zandstorm? Het komt overeen met de verhalen. Een sterke storm dat uit het niets oplaait en weer ten onder gaat. Alsof Poron ademhaalt."

Nikos lacht.
"Of niest, met al dat stof."

"Je hebt het zwaard naar het verdronken dorp gebracht, correct?"

Ducos erkent de zinloosheid van het ontwijken van een eerlijk antwoord.

"Dat klopt. We hebben ons verscholen in de crypte. Daar lichtte het zwaard op."

Dawet schikt, een angstige blik verschijnt op haar gezicht.

"In de crypte... ligt het lichaam van een kwaad figuur verzegelt. Door het zwaard daarheen te brengen verzoen je diens magische kracht met het lichaam van de ondergang."

"Lichaam van de ondergang?"

"Ooit, toen wij voor de Archon vochten, hadden we de overhand. De opstand smoorde uit. Totdat hij kwam. Een nieuwe leider verrees en bracht onaardse krachten met zich mee. Elke tegenstander die we troffen kwam later weer terug."

"Herrezen uit de dood?"

"Herrezen uit de dood."

Nikos schiet omhoog en loopt heen en weer door de tent.

"Dus het is waar..."

"Wat, Nikos?" Zegt Ducos met verbazing.

"Mijn ouders hebben verhalen verteld over een magiër die het land heeft getoornd. Ik dacht dat het een spannend verhaal voor kinderen was. De magiër had de kracht om leven in de dood te blazen. Ik denk dat dit de figuur is die op de muurschildering is afgebeeld. Met jouw zwaard."

Dawet's ademhaling verstokt, alsof de ernst van de situatie tot haar is ingedaald.

"Van wie heb je dat zwaard gekregen?"

"Van een nobele heer in Nicae, ik zou het bezorgen naar Eleron."

"En zo begint de cyclus..."

Dawet kijkt op, haar blik half in trance.

"Eleron is niet zomaar een stad. Onder Eleron ligt de tempel van staal, de plaats waar de magiër zijn ziel ooit heeft verbonden aan het zwaard. Toen de Archon hem versloeg, liet hij zijn lichaam achter, maar zijn geest bleef in het lemmet sluimeren.”

Ze slikt moeizaam, haar stem zachter:
“Het zwaard moest naar het noorden gebracht worden om daar voor eeuwig te rusten. Ver weg van het lichaam, ver weg van de magie die hem voedde. Voorbij het gebergte van Iskandar. Maar wie het zwaard terugbrengt naar Eleron, herenigt ziel en lichaam. En dan… zal hij opnieuw herrijzen.”

Stilte. Alleen het suizen van de wind rond de tent vult de lucht.

“Dus,” zegt Nikos langzaam, “die heer uit Nicae...”

“Was nooit een heer,” bedenkt Dawet. “Hij was de schaduw van de Magiër. Een overblijfsel dat wachtte tot iemand dom genoeg was het zwaard voor hem te dragen.”

"Dom." Herhaalt Ducos. "Ik! Een instrument van zijn terugkeer."

“Toen de Magiër viel,” begon Dawet, “dachten wij dat het kwaad was verslagen. De Archon, onze heer, had hem geveld met diens eigen zwaard.
Maar het zwaard... had zich niet ontbonden van zijn vorige meester.
Hij hield het zwaard bij zich, als trofee, als teken van zijn macht. Het corrumpeerde hem, tot diep in de haarvaten van zijn lijf.

En zo werd hij langzaam het instrument van hetzelfde kwaad dat hij had willen vernietigen. Een rijk gebouwd op angst en onderdrukking. Zijn volk kwam in opstand. Wat hij had verslagen, ontwaakte in hemzelf."

"En zo werden jullie vijand van de nieuwe orde."

"Een van de Zonen heeft de Archon geveld met zijn eigen zwaard, om het vervolgens te verbergen."

Ducos begint het te begrijpen. "Maar de ziel van de magiër is sterker dan de dood, nu wil het terugkeren om wederom de macht te grijpen."

Dawet wendt zich tot hem:
"Je weet wat je te doen staat, Ducos."

"Wij zijn tot niks verplicht. Wij zijn vrij, hier op de vlakte tussen Nicae en Eleron. We vervoeren ons waar heen en weer. Tot de vlakte ons weer tot zich neemt. Morgen vertrekken we naar de karavanserai nabij Eleron. Het staat je vrij om met ons mee te gaan, of om zelfstandig terug te keren naar je eigen volk."

We vonden een dorp dat verdronken,
in zand dat zich had verzameld als schuld.
Het zwaard gaf een glimp van zijn adem,
en zweeg met een glans die alleen het duister duldt.

Ze kwamen als stormen in galop,
gezichten bedekt voor de lucht van hun land.
Hun woorden waren verloren bij voorbaat,
maar hun wapens spraken met brand.

Een vijand gebonden sprak helder,
Haar blik was vermoeid maar diens stem was recht.
Ze toonde geen haat of verlangen,
maar vroeg: “Wat ben jij als je enkel nog vecht?”

Jafira legt een blok hout op het zwakke haardvuur dat het gezelschap in de Serai zegent met haar warmte. Ze keert terug naar Ducos en vraagt hem wat zijn antwoord was op Dawet.

"Niks." Antwoord Ducos kortaf.
"Het pad dat zij bewandelt kan alleen eindigen in een voorbarige dood. Mag ik nog een gerstebier?" Ducos breekt een kruidnagel in twee en legt het voor zich neer. Hij kijkt achterom naar zijn vermoeide karavaansploeg. Bulderend gelach maakt plaats voor gapende indrukken.

"Dus, een terugkerende magiër, die komt om zijn macht op te eisen? En dat maakt je niet angstig? Wat heb je eigenlijk met dat zwaard gedaan?"
Ze houdt een beker gerstebier voor Ducos' gezicht. Ducos strekt zijn arm uit om de beker aan te nemen.

"Ho. Eerst een antwoord, dan pas je bier."

"Het zwaard is nog in mijn bezit. Ergens tussen het handelswaar. Veilig weggestopt. Ik gooi het voordat we Eleron betreden van een brug. Diep in een ravijn."

"En daarmee denk je het probleem op te lossen?"

Ducos staart even in de verte, richting het haardvuur dat inmiddels is opgelaaid.

"Daarmee denk ik mijn probleem op te lossen. Mag ik nu mijn bier?" Waarna Jafira de beker voor hem neerzet.

"Wat een leven. Heen en weer door het stof. Ter verrijking van machtige handelaars? Die zelf nooit het comfort van thuis hebben verlaten? Zelfs nooit een blik op de vlakte hebben geworpen?" Vraagt Jafira zich af.

Ze vervolgt:
"Je kiest werkelijk het pad van stof boven dat van goud en eer?"

"En de dood tegemoet wandelen in anticipatie op een berg kruidnagels? Kijk wat de Zonen is overkomen. Van loyaal naar banneling. Stof is eerlijker."

"Of je nu vecht of vlucht, het kwaad dat je hebt losgemaakt draagt jouw naam.
Jij bracht het zwaard daarheen. Jij wekte hem."

"Ik wist niet wat ik droeg."

"Dat doet er niet toe. Niemand weet ooit wat hij draagt, tot het te laat is. Door niets te doen, maak je je medeplichtig."

Ducos drinkt zijn bier op en slaat gefrustreerd met zijn vuist op tafel. Zijn halve kruidnagel verdwijnt ergens in de vloer van de Serai.

"Ik ben alles kwijtgeraakt. Wat heb ik nog te verliezen!"

"Hoogmoed komt voor de val, Ducos."

Ducos staat op en wendt zich tot zijn ploeg.
"En een gevallene kan enkel nog opstaan. Heren, we rijden naar Nicae!"